Spelen met taal | Speelgoedbende

De eerste 3 tot 4 jaren zijn heel belangrijk voor de taalvaardigheid in het verdere leven. Spel is belangrijk voor de ontwikkeling van taal: met spel worden allerlei vaardigheden geoefend die van belang zijn om taal te kunnen gebruiken als communicatiemiddel.

Door interactie met een volwassene en leeftijdsgenootjes leert het kind:

  • te verwoorden wat het doet. “Ik maak een boterham voor mij. Met pindakaas en banaan.”
  • plannetjes te maken. “Eerst moet ik de boterham snijden. Ik heb een mes nodig!”
  • problemen te verwoorden. “Oh jee, mijn vingers plakken. Papa, mag ik een servetje?”
  • afspraken te maken. “Aan tafel zetten we de schermpjes af”.

De taalontwikkeling spelenderwijs stimuleren

Het tempo om taal te leren, verschilt sterk van kind tot kind. Sommigen spreken hun eerste woordje pas op 2 jaar, anderen doen dit al op 1 jaar. De leeftijdsfases zijn dus niet strikt op te nemen.

0 tot 6 maanden

In de eerste maanden communiceert (huilt, lacht) een baby op basis van reflexen. Het geeft hiermee zijn lichamelijke behoeften aan en reageert op jouw stem of op geluiden in zijn omgeving. Vanaf een maand of vier raakt de baby steeds meer geïnteresseerd in anderen, hij begint zelf ook klanken te maken en met zijn stem te spelen.

Speeltip

Maak samen met je brabbelende baby om de beurt geluid. Zo stimuleer je het beurtgedrag (het nemen en geven van een beurt). Dit is een belangrijke vaardigheid in het voeren van gesprekjes met anderen. Baby’s vinden het heerlijk te merken dat hun gebrabbel steeds weer wordt beantwoordt door het mee-brabbelen en praten van vader of moeder. Je kan ook zingen en samen lachen.

6 tot 12 maanden

Met 6 à 7 maanden hoor je meer en meer lange reeksen van medeklinkers en klinkers, die eindeloos worden herhaald, zoals ‘dadadada’. Vanaf een maand of 8 gaat de baby bewust communiceren: wijzen, nee schudden en zwaaien in combinatie met geluiden.

Speeltip

Leg je kindje op een speelmat. Benoem waar het mee speelt. Kinderen van deze leeftijd begrijpen enkel dingen (namen, voorwerpen) die zichtbaar of tastbaar zijn op het moment zelf. Kiekeboe-spelletjes zijn dan ook favoriet. Zo leert het kindje dat iets dat even weg is ook weer terugkomt.

12 tot 18 maanden

Wanneer een kind een jaar is (of later, ieder kind is uniek!) duiken vaak de eerste woordjes op. Een woord kan diverse betekenissen hebben; bijvoorbeeld ‘mama’ kan betekenen: ‘Daar is mama’, ‘Die fiets is van mama’ of ‘Mama, til me op’.

Speeltip

Nu hij zichzelf beter kan voortbewegen, kruipen, stappen of rechttrekken wil je kind de wereld om zich heen beter leren kennen en begrijpen. Help hem hierbij: doe een varkentje of schaap na. Varieer met je stem, maak gekke geluiden. Dat vindt je kind leuk. Laat bijvoorbeeld horen wat een auto doet. ‘Toet toet, doet de auto’.

18 tot 24 maanden

Het kind begint losse woorden te combineren tot de eerste twee-woordzinnen. Deze woorden zijn wat betreft de vorm veelal nog onvolledig, bijvoorbeeld ‘paa’ (paard), ‘pa-pu’ (paraplu), ‘toe’ (stoel).Van iedere zin spreekt het kind alleen de twee belangrijkste woorden uit en vereenvoudigt de uitspraak en de klank ervan nog vaak. “Ma-ma fiez” kan dan betekenen ‘Dit is mama’s fiets’ of ‘Mama, ik wil met de fiets’.

Speeltip

Kinderen van deze leeftijd gaan meer en meer speelgoed uittesten en gebruiken voor waar het bedoeld is. Met blokken spelen is vaak een hit. Omdat ze hier ontzettend veel van leren. ‘Ik kan ze stapelen. Misschien wel rollen. En kijk wat er gebeurt als ik ze omduw. Boem!’ Door samen te spelen kan je je kind vertellen over de kleuren, de vormen, jullie creaties,… Maar kan het kind zelf ook nieuwe informatie geven. Wanneer jij zegt “Wat een kleurrijke toren!” kan je kind toevoegen: ‘Groot!”. Merk je op dat je kind woorden niet goed uitspreekt, herhaal deze dan op de juiste manier. Het is niet nodig om je kind te vragen het woord juist te herhalen. Door jouw goede voorbeeld leert het kind het woord vanzelf goed. Bv. “Gloene blok, mama!” “Oh kijk, je hebt de groene blok gevonden!”

2 tot 3 jaar

Het kind spreekt steeds meer in zinnen van drie, vier en vijf woorden. Het kind oefent volop met alle nieuwe woorden en taalregels waardoor het soms fouten maakt. Soms lijkt het alsof het meer fouten maakt dan eerst. Deze fouten laten echter zien dat het op zoek is naar algemene taalregels en dat is nodig om deze regels echt te gaan beheersen.

Het besef van tijd ontstaat waardoor jouw kind taal gaat gebruiken om buiten het hier en nu te spreken (‘morgen’, ‘straks’ of ‘tot de volgende keer!’). Ook kan het vertellen ‘waar’ iets is, bijvoorbeeld ‘op school’, ‘in de winkel’ of ‘bij de dokter’.

Speeltip

Je kan de woordenschat van je kind vergroten door voorwerpen te benoemen en door te vertellen wat je aan het doen bent. Betrek je kindje bij dagelijkse klusjes, zoals koekjes bakken of soep maken en leg elke stap die je doet uit. “De eitjes klutsen in de pan.” “Het beslag mixen met de garde/klopper.” “Even in de soep roeren”.

Leg de woorden die het kind niet begrijpt uit door iets te laten zien, ruiken, voelen of proeven of door iets voor te doen, een foto of een tekening ervan te laten zien.

Oefen tijdens het spel(en) ruimtelijke begrippen zoals op, onder, in, tussen, boven, naast, voor en achter. Verzin bijvoorbeeld bij het spelen met de kinderboerderij een verhaaltje en vraag je kindje het varkentje naast de koe te plaatsen en de boer achter het hooi.

3 tot 4 jaar

Een kind van deze leeftijd voert al hele gesprekjes. De grammaticale structuur is vaak nog erg afwijkend van de ‘volwassen’ grammaticale structuur. Langzaam ontstaan steeds vaker samengestelde zinnen. Het kind gaat dan twee of meer ideeën met elkaar verbinden zoals ‘Als ik later een groot ben, ga ik ook’.

Het kind wil ook meer betekenis geven aan zijn taal en vraagt daarom (héél) vaak ‘naar het ‘waarom’. Het wil op deze leeftijd alles weten. Al wordt je er soms radeloos van, dit heeft (naast alles willen weten en begrijpen) een zeer belangrijke functie. Door de vele antwoorden op de ‘waarom’-vragen leert het kind de taalregels en moeilijke zinsconstructies beheersen.

Taal wordt steeds meer een instrument om mee te denken, te leren en te fantaseren. Het kind gebruikt taal voor meer redenen. Om zijn eigen gedrag en dat van anderen te sturen of te beïnvloeden, om van te voren plannen te maken, om te anticiperen op wat er gaat gebeuren, om te vertellen over dingen die zijn gebeurd en om een fantasiewereld te scheppen.

Speeltip

Kleuters vinden symbolisch spel (speelgoed of materiaal voor iets anders gebruiken dan het in realiteit is) en imitatie-spel geweldig: nadoen van dagelijkse bezigheden van papa, nadoen van de onthaalmoeder (met pop), de dokter naspelen.
 

Speel samen. Neem een rolletje aan. Laat je kind de dokter en jij de patiënt zijn.

Of speel samen winkeltje. Deze manier van samenspelen lokt wederzijds taalgebruik uit. Doe lekker net alsof. Ga varen in een boot (een grote doos) of kamperen in de tent (twee doeken over twee stoelen). Ga de trein op (door stoelen achter elkaar te plaatsen) en laat de ‘conducteur’ de kaartjes knippen. Maak een circusvoorstelling, verzin kunstjes (lopen over een lint dat op de vloer ligt, kruiwagentje) en haal er wat publiek bij. Ambiance en gesprekstof verzekerd.

Tip

Schrijf je in voor het speelmoment ‘Spelen met taal’ op 29 september (10.00 tot 12.00 uur) in Huis van het Kind Groenenhoek: Speelgoedbende@gekkoo.be